|
De nko-arts zal allereerst vele vragen stellen aan de patiënt en zijn of haar partner om er achter te komen of er factoren zoals roken, alcoholgebruik, medicijngebruik of gewichtstoename aanwezig zijn die het snurken kunnen verklaren. Ook zal worden gevraagd naar met name neusverstoppingsklachten en keelklachten.
De nko-arts zal ook de neus en keel uitgebreid onderzoeken, waarbij vaak met een flexibele endoscoop (kijkbuisje met diameter van 3 mm) de binnenkant van de neus en de keel tot aan de stembanden wordt bekeken, om zo te beoordelen waar vernauwingen aanwezig zijn.
Soms zullen ook allergietesten en röntgenfoto’s worden gemaakt.
Wanneer de nko-arts heeft vastgesteld wat de oorzaak van het snurken is, kan eventueel een behandeling volgen. Soms ligt de oorzaak van snurken in de neus. Een scheef neustussenschot, een allergie of poliepen kunnen neusverstopping veroorzaken. Een allergie kan met medicijnen worden behandeld. Soms biedt een operatie aan het neustussenschot of het verwijderen van poliepen uitkomst om een te nauwe neusholte ruimer te maken (dit heeft een goed effect bij ongeveer één op de tien mensen die snurken én last hebben van een verstopte neus). Bij kinderen kan het snurken vaak met succes worden bestreden door de keel- en/of neus-
amandelen te verwijderen.
In veruit de meeste gevallen wordt het snurken veroorzaakt door een te nauwe overgang van de neusholte naar de keelholte; dit is de ruimte achter het zachte gehemelte en de huig. Er zijn twee methoden om snurken dat in dit gebied ontstaat operatief te behandelen:
1. Uvulo-palato-faryngo-plastiek
De meest effectieve manier is het verwijderen van het grootste deel van de huig en het zachte gehemelte (uvulo-palato-faryngo-plastiek: UPPP). Dit verwijderen kan met een mes of met de laser; voor de patiënt heeft dit hetzelfde resultaat. Als er nog keelamandelen aanwezig zijn, worden deze vaak weggehaald.

|
De linker tekening laat de situatie zien vóór inkorten van de huig en het zachte verhemelte en vóór verwijdering van de amandelen; de rechter tekening laat de situatie ná operatie zien.
|
De overgang van de neus naar de keel wordt door deze operatie ruimer en het snurken verdwijnt bij ongeveer negen van de tien mensen, maar na een paar jaar komt het snurken bij sommige mensen terug; na vijf jaar werkt de operatie daarom nog maar bij zeven van de tien mensen. Dit komt omdat er zich langzaam weer wat vet ophoopt in de huig en het zachte gehemelte. De operatie kent ook nadelen:
- Direct in aansluiting op de operatie is het slikken heel pijnlijk. Dit duurt soms wel twee weken, zodat in deze tijd vaak niet gewerkt kan worden.
- Er kan een droog gevoel overblijven in de keel of een gevoel dat er een brok in de keel zit.
- Het uitspreken van een harde “g” gaat niet goed meer.
- In uitzonderlijke gevallen kan het zachte gehemelte te kort worden, zodat de neusholte aan de achterzijde niet meer goed kan worden afgesloten. Bij drinken komt dan vloeistof via de neus naar buiten. Meestal is dit een tijdelijk probleem, soms is een operatie noodzakelijk, waarbij het zachte gehemelte weer wat langer wordt gemaakt.
2. Gecontroleerde littekenvorming
Een minder belastende behandeling is het verstijven van de huig en het zachte gehemelte door middel van gecontroleerde littekenvorming. Dit gebeurt met behulp van een naald die op 3 tot 5 plaatsen in het zachte gehemelte wordt gestoken. Met behulp van trillingen (radiofrequente energie) of door ioniserende effecten (coblatietherapie) worden de naald en het weefsel verhit tot 85 graden Celsius. Er ontstaat dan geen echte brandwond, maar er treedt een soort smelten op in de diepte van het zachte gehemelte. Hierdoor ontstaat littekenweefsel. Een eigenschap van littekenweefsel is dat het stijver is dan normaal weefsel, zodat het gehemelte minder makkelijk kan gaan trillen en snurken dus minder gemakkelijk op zal treden.
In een eerste tijd kan ook de huig verwijderd worden en kunnen 2 sneetjes in het verhemelte gemaakt worden langs de huig zodat het verhemelte als het ware opentrekt.
Deze behandeling wordt meestal onder plaatselijke verdoving verricht. Na de behandeling is de keel ruim een week gevoelig, maar veel minder dan na een uvulo-palato-faryngo-plastiek.
Bij onvoldoende resultaat kan de ingreep herhaald worden. De behandeling gebeurt immers onder lokale verdoving en ambulant. Het RIZIV vergoedt deze behandelingen driemaal. Om succesvol te zijn moet er tussen de behandelingen zeker twee maanden zitten.
Deze behandeling kent ook nadelen:
- In zeldzame gevallen kan als complicatie van de ingreep een gat in het zachte gehemelte ontstaan, dat een paar weken pijn kan doen, maar vrijwel altijd vanzelf weer dichtgroeit. Mocht dit niet het geval zijn, dan kan het door een kleine operatie worden gesloten.
In zeldzame gevallen ontstaat het snurken op het niveau van de achterzijde van de tong of het strottenklepje (epiglottis). Dan zijn er twee operatieve behandelingsmethoden:
1. Gecontroleerde littekenvorming: verstijven van de achterkant van de tong.
Het achterste deel van de tong kan stugger gemaakt worden met behulp van de hierboven beschreven radiofrequente energie of de coblatie-
therapie. Er wordt een succespercentage van ongeveer 75% genoemd, maar over de resultaten op langere termijn is ook nog weinig bekend. Nadelen van de behandeling zijn:
- Milde pijn bij het slikken gedurende enkele weken; werken is na een paar dagen doorgaans weer mogelijk.
2. Verwijderen van een stuk van het achterste deel van de tong met de laser.
Een deel van de achterzijde van de tong wordt verwijderd met behulp van de laser om zo meer ruimte in de luchtweg achter de tong te krijgen. Resultaten op lange termijn zijn ook hiervan nog niet bekend. Nadelen van de behandeling zijn:
- Het slikken is gedurende twee weken pijnlijk; werken is in deze periode niet mogelijk.
- Verslechtering van de smaak gedurende enkele weken tot soms een paar maanden.
De niet-operatieve behandelingen van snurken
Een niet-operatieve behandeling voor snurken is mogelijk door het gebruik van een plaatje van kunststof dat over de tanden wordt geklemd en dat de onderkaak naar voren houdt tijdens de slaap. Deze prothese wordt ook wel MRA genoemd: Mandibulair (= onderkaak) Repositie (= verplaatsing) Apparaat. Een MRA is effectief voor de behandeling van snurken dat ontstaat zowel ter hoogte van het zachte gehemelte en de huig als op het niveau van de achterkant van de tong en het strottenklepje. Er zijn meerdere typen van deze protheses op de markt, die alle werken volgens hetzelfde principe. Een voorbeeld wordt getoond in de figuur; er wordt een afdruk (bitje) van het boven- en ondergebit gemaakt, die stevig over de tanden en kiezen past. Deze kunststof bitjes zijn met elkaar verbonden door middel van twee staafjes (zie figuur).

|
Dit is een prothese met een staaf-
verbinding tussen de twee delen van de prothese. Het onderste deel van de prothese zit om het ondergebit en het bovenste deel van de prothese zit om het bovengebit. Door de (zie de pijl bij één van de) staafjes wordt het onderste deel van de prothese, dus het ondergebit en hiermee ook de onderkaak meer naar voren gedwongen. |
Het apparaat zorgt ervoor dat in liggende houding tijdens het slapen de onderkaak niet naar achteren kan zakken. Omdat de tong aan de onderkaak vastzit, blijft ook de tong beter op zijn plaats en zakt minder makkelijk in de keel. De luchtweg achter in de keelholte blijft op deze manier dus ruimer tijdens de slaap, zodat minder gemakkelijk snurken optreedt. Bij zeven van de tien mensen heeft deze kunststof prothese een goed resultaat. Als nadeel moet genoemd worden dat:
- De prothese elke nacht gedragen moet worden.
- De prothese moet worden aangeschaft, terwijl nog niet duidelijk is of deze prothese wel wordt verdragen (sommige mensen vinden het dragen van de prothese zo oncomfortabel dat zij afzien van het gebruik ervan).
- Bij onoordeelkundige aanpassing pijnklachten van de kaakgewrichten op kunnen treden.
- Deze methode niet kan worden toegepast bij mensen met een kunstgebit.
- De prothese meestal niet wordt vergoed door de zorgverzekeraar; de kosten variëren van 230.- tot 700.-, afhankelijk van het type prothese.
|